maandag 28 oktober 2013

DE POPMAGIE VAN VEENENDAAL

Het was erg leuk aan de Nijverheidslaan. 
Ik gaf een klas van rond de 45 oudere jongeren de bijgaande voordracht.
In de hal kwamen dik 800 mensen samen. Leuke reunie, vooral Suzie-Q-volk. 
Veel minder Pompers.
Dat zijn de fijne scheidslijnen in Veenendaal.

Jeroen Wielaert

Een proefcollege over de popcultuur van Veenendaal.
Zo ver heeft de heer me dus gebracht.

Hoe de Devil's Music ook in ’t Veen veel lawaai veroorzaakte. 
Gelet op het imago van het dorp dat uitgroeide tot een stad is het eigenlijk een rijke geschiedenis.

Weet je wel?

Laat ik persoonlijk beginnen, iets vertellen over mijn eigen herinneringen aan een Veenendaalse popjeugd.

Op het plein van de openbare Rijk van Gaasbeekschool, vlak bij het Franse Gat zong ik luidkeels mee met de hit die ons jonge leven op stelten zette:
Sjie lafs Joe Yèè`-yèè-yèè.’ 
Vier langharige jongens uit Liverpool, de Beatles.
Geen idee waar ze over zongen.
Voor mijn achtste verjaardag, 1 april, kreeg ik mijn eerste EP-tje van de Beatles, een plaatje met vier liedjes, waaronder All My Loving.
Het ging verder op het schoolplein, thuis aan de radio, bij het vorderen van de klassen. 
1, 9, 2: goed idee! 
De Rolling Stones kwamen met Satisfaction, Get Off Of My Cloud, Paint it Black. Sterke liedjes, maar andermaal: nog geen idée waar ze over gingen. 

Ondertussen rees de discussie over wie de besten waren, ook in Veenendaal, de Beatles of de Stones. 
Het maakte mij niet zo uit.
Ik vond ze allebei even goed.

Vingers!

De Beatles?
De Stones?

Het was in ieder geval wel zo dat ik in die tijd steevast singletjes van de Beatles cadeau kreeg voor mijn verjaardag. 
Help, I’m Down, Yellow Submarine, Eleanor Rigby, Penny Lane, Strawberry Fields Forever.
Van de schoolpleindagen herinner ik me ook No Milk Today van Hermans Hermits, Good Vibrations van de Beach Boys en Here it Comes Again van de Fortunes. 
Dave Berry kwam met This Strange Effect en Now.
Now, now is the moment, now is the time…

Het duurde niet lang, of mijn moeder kocht ook voor mij en mijn broer Jasper een heuse Berry-broek, met van die wijde pijpen.
In 1968 ging ik naar de Middelbare School, het CLV.
Aanvankelijk nam ik de bus naar de Kerkewijk. 
Tegenover de halte bij de bocht op de Nieuweweg stond een oud gebouw waar gekke dingen gebeurden. 
Ik ging daar wel eens door de ramen staren, zag een lege bar, lege bierflesjes. 
't Dingetje.
Daar mocht ik niet komen.
Te jong.
Het was dik vier decennia voordat de term ‘dingetje’ algemeen in het taalgebruik terecht kwam, ook wel als ‘ding’ – zo van: ‘dat is wel een ding.’ 
Op school hadden we het eerder al over ‘een lekker ding.’ 
Met 't Dingetje was Veenendaal in de Sixties eigenlijk best wel progressief.
Ik kom er nog op terug.

In de aula van het CLV zag ik voor het eerst een heuse band. Ik was dertien. 
Mijn moeder had me er nota bene naartoe gestuurd. 
Het was Brainbox, met Kazimierz Lux, Pierre van der Linden, Rudy de Queljoe en John Schuursma. 
Jan Akkerman was er al uit.
Ik stond rechts voor het podium, vlak bij een box. 
Ongelooflijk, wat een lawaai. 
Twee dagen heb ik met suizende oren rond gelopen. 
In twee en drie gym ging ik de Veronica-Top 40 halen bij Van Hees, tegenover de Markt.  

De feesten kwamen, in bovenkamers, in garages, op zolders.
De tijd van Creedence Clearwater Revival, Who’ll Stop the Rain, LA Woman van de Doors, Derek & the Domino’s en hun Layla, Alice Cooper, Uriah Heep, maar ook Toots Thielemans met zijn harmonica uit Turks Fruit en Robert Long, Vroeger of Later. 
We waren bij de tijd, in Veenendaal.

Op koninginnedag 1973 verzamelden we ons met zijn allen in een grote tent op de Groene Velden.
Focus zou komen, met Thijs van Leer en Jan Akkerman.
Ze gingen natuurlijk hun Hocus Pocus spelen, maar niks van die magie gebeurde. 
Ze hadden in Montreux gespeeld en Jan Akkerman was onwel geworden.
Focus kwam niet.
We wisten wel waarom, met onze kwade tongen.
Akkerman had te veel gerookt en gezopen.
Daags erna was de VARA-radio in Veenendaal.
Kees van Maasdam en Co de Kloet met hun Opvallend Vrolijk Gevarieerde Visite. 
Het was in die kroeg niet ver van het oude spoorseizoen.
Ik spijbelde en ging aan Van Maasdam vertellen hoe boos we waren op Jan Akkerman. 
Het was voor het eerst dat ik op de radio kwam.

De Suzie Kuu was inmiddels open.
De eerste band die ik er zag kwam uit Volendam: BZN. 
Als ik me goed herinner werd de avond gepresenteerd door Sjef van Oekel. 
Het was nog in de tijd dat Jan Keizer en de zijnen heel andere muziek maakten dan de zoetigheid waar ze later bekend mee werden.
Keizer zat nog achter de drums. 
Er gebeurde iets ongelooflijks: midden in een oorverdovend hardrock-nummer lieten ze hun broeken zakken en begonnen tegen elkaar aan te reupen. 
In Veenendaal. Weet iemand het nog?

In 1975 vertrok ik naar Utrecht om Nederlandse te studeren.
Het was fijn om in zo’n grote stad te wonen, maar ik kwam vrijwel alle weekends terug om over DOVO en GVVV te schrijven voor De Rijnpost en De Vallei.
Na de wedstrijd was er  ’s avonds nog iets om te recenseren, in De Pomp en Suzy Q. 
Het was wat gek genoeg in Utrecht nog ontbrak, de tweede helft van de jaren zeventig: een goeie popzaal. 
Er brak juist een geweldige tijd aan, met Herman Brood & Wild Romance, Gruppo Sportivo, Vitesse, Sail Joya, Music Garden, The Streetbeats met Jan Rot, Normaal, Sweet d’Buster en oudere fenomenen als Solution, Earth & Fire en, jawel: Patricia Paay. 

Ik heb het nog eens terug gehoord van Henk Roor, hoe ik daar als verslaggevertje op een stoel ging zitten in de Pomp om de nummers te noteren.
Patricia Paay, dat was in Suzy Q. Ze speelde met een meelopende band.
Tussen een nummers liet ze haar handen op borsthoogte rollen en zei:
‘Nee jongens, dit heb ik niet echt, dat is alleen op televisie!’

Wat altijd leuk was, was de gang naar de kleedkamers, om met de bands te spreken. 
Zo kwam ik in de Pomp in gesprek met Hans La Faille en Herman Deinum, de oude Blizzards die bij Sweet d’Buster waren gaan spelen. 
Ik zat daar met hen, dronk een pilsje mee, luisterde.
Opeens zei Deinum van onder zijn lange zwarte haar door: ‘Verslaggever, versla!’

Eénmaal als beroepsverslaggever voor de radio maakte ik in het voorjaar van 1992 voor het eerst een lange reportagereis door Amerika, voor de presidentsverkiezingen. 
Het ging tussen de oude president Bush en een onbekende gouverneur uit Little Rock, Arkansas, een zekere Bill Clinton.
Ik wilde een verhaal maken over de Zwarte Kiezers. 
En dus kwam ik in Savannah, Georgia terecht in een kerk aan Martin Luther King Boulevard.
Die zondagmorgen was ik de enige blanke in het godshuis.
Ze waren heel gastvrij. Ik raakte gefascineerd.
De zwarte dominee gaf een luid stemadvies. 
Dat ging zo: ‘I’mmmmmm a Démocrat. And I’m gonna vóóóóte Bííííííl Clinton!’         
Toen kwamen de gezangen.
Het koor stond op. Prachtige zwarte dames met enorme boezems. 
Onder het zingen van hun gospels swingden ze met hun heupen en heel de kerk swingde mee. 
Toen zag ik het. Natuurlijk had ik er wel over gelezen, maar nu gebeurde het voor mijn ogen. 
Ik realiseerde me des te beter: hier komt het vandaan.
En niet uit Veenendaal.
Tot zover mijn eigen verhaal. 

Verder nu over de popcultuur in het algemeen en Veenendaal in het bijzonder.

Het is allemaal begonnen in de jaren vijftig, met blanke Amerikaanse jongens die zich op oude negermuziek stortten, of zwarte jongens die de bluesliedjes van hun oudere voorgangers elektrisch versterkt afstoften. 
In Nederland had Eddy Christiani ook zo’n gitaar en zong er een meisje mee achterop zijn fiets. 
In Amerika fulmineerden de dominees tegen al die Duivelse Muziek. Het was tevergeefs, het was niet meer tegen te houden. Op de ongekende golven van de moderne welvaart met koelkasten en grote sleeën met vleugels eigende de jeugd zich een eigen cultuur toe, aangevoerd door Elvis Presley, Buddy Holly, Jerry Lee Lewis, Little Richard en Chuck Berry. 
There was a whole lotta shaking going on.

In Veenendaal gebeurt alles later, is een oud gezegde, maar de popcultuur gebeurde wel degelijk tegelijkertijd, vooral door de radio. 
De Engelse stations, Radio Veronica. Pop was ook in Veenendaal het antwoord op de sufheid van de magistraten, de dominees.
Ik zei het al: ik was te jong om 't Dingetje binnen te gaan. 
Er zitten hier toch wel Veensen in de zaal die er wél zijn geweest?  
Het was in ieder geval duidelijk dat er wat moest gebeuren.
De beatjeugd van Veenendaal scheurde in de weekends met brommer door de Hoofdstraat. 
Er vond meer plaats in stegen en portieken.
Zover kwam het dat de winkeliers op maandagmorgen voor het openen van hun zaak allerlei ongerief voor de deur moesten verwijderen dat aanstootgevend zou kunnen zijn voor het vrouwelijk personeel. Ja, zeg het maar: wie heeft staan vozen in zo’n portiek?

Het werd de bestuurders duidelijk, ook die van de kerk.
Zo is De Soos er gekomen, op gereformeerde grondslag. 
Hoe dan ook, de jeugd kreeg de ruimte.
Er werden meer zogenaamde jongerencentra ingericht die zo hun eigen karakter hadden, en ook hun eigen reputatie kregen. 
De ene was De Instuif, aan de Sandbrinkstraat.
Daar rees al een bepaald oordeel over. 
‘Voordat ik m’n kinderen naar die verderfelijke troep stuur…’ werd er gezegd.
't Dingetje was opgericht door Henri Bruitsman, Peter Pilon, Dick Vink, Eddie den Braber en Dirk de Gooijer. 

Zij vonden een geschikte ruimte in de oude Kokse-School. 
Het werd officieel geopend op 18 november door burgemeester Hazenberg en de wethouders Koppenberg en Bastmeijer. 
De eerste dansavond kwam een dag later, met de groep Lijn 6.

Anders dan De Instuif was 't Dingetje helemaal Sodom en Gomorra, althans volgens de Gewone Veense. 
Er liepen langharigen rond in gekke kleding, er vond drankmisbruik plaats, er werden zelfs stripteases opgevoerd – blote-meiden-gedoe. 
En erger. 

De Veenendaalse hoofdinspecteur van Politie Dekker liet er zijn licht over schijnen in een stevig artikel in De Vallei van 11 oktober 1967. 
Bij het teruglezen vond ik de man erg mild en begripvol, oprecht tolerant. 
Hij zei dat hij bij regelmatige controles niets van de genoemde excessen had gemerkt.
Die moeten zich ongetwijfeld hebben voorgedaan als de hoofdinspecteur niet binnen was.
Toch?
Het geschamper over langharigen deed hij af als ‘discriminatie’.
Hij relativeerde het tot een tijdverschijnsel. 

En we hadden toch ook de helden uit de Gouden Eeuw leren bewonderen met hun lange haardossen die vaak genoeg pruiken waren.
‘Onbekend maakt onbemind’, stond als kop boven het verhaal met Dekker.
Hij was binnen geweest, hij kon goed oordelen, kende ook het verschil tussen
De Instuif en 't Dingetje. 
De Instuif stond onder leiding van ouderen. ‘Dat geeft een element van dwang,’ meende Dekker.
In 't Dingetje zag hij iets anders: daar maakte de jeugd het zelf uit.
Verlicht opvoeder als hij bleek te zijn beschouwde de hoge politiefunctionaris deze beatclub als de gelegenheid waar de jeugd zichzelf kon vormen, met onderlinge hulp, samen in gesprek komen over de maatschappij, in een kleine excentrieke gemeenschap.

Onder de excentrieke jeugd zelf ontstond ook die stemming: ‘Wie gaat er nou naar de Instuif?’
Hoofdinspecteur Dekker zag hoe onder de oudere Dingetjes het inzicht groeide.
‘De jeugd is zelfstandig geworden,’ betoogde hij in die herfst van 1967, ‘ze zijn volwassen geworden en kunnen zich niet meer met de gedragingen van de beatjeugd verenigen. 
Hun naïeve gedragingen moeten worden gezocht in het zogenaamd artistiek zijn van de jongens en meisjes, het na-apen van grote idolen en het afwijzen van alles wat op ‘raad van ouderen’ lijkt.’
Dekker, voort redenerend: ‘Langzaam komen deze jongeren tot de ontdekking dat die ‘burgerlijke’ wereld niets is om zich voor te schamen. Dat het mooi is om iets te presteren. Als ze zover zijn, zie je ze niet meer in een beatclub.’
De Instuif en 't Dingetje hebben de Sixties niet lang overleefd. 
Het pand van 't Dingetje werd afgebroken. 
Er kwam een parkeerplaats voor in de plaats, met de eerste Veenendaalse ALDI.   

As2O3, maart 1967 op de markt, graties optreden ter gelegenheid
van de geboorte van Willem-Alexander
Van voor 't Dingetje dateert een legendarische Veenendaalse beatgroep: As2O3.

Hij werd in 1965 opgericht door Hans Hiensch en Jan van der Wolf. 
Ze ontleenden de naam aan de chemische verbinding Arsenium Trioxide ofwel rattengif. 

Hun eerste optreden was in ´De Soos´, bij de Brugkerk. 

Ze hebben in totaal vier jaar bestaan, in wisselende bezetting met IJnze den Hengst, Cees van Hardeveld, Karel Helder, Ernst Kraft van Ermel, Jacob Brederveld, Ruurd Nijdam en Dirk van Doorn. Ze plakten leuke stickers met de bandnaam op alle lantaarnpalen aan de Kerkewijk. 
Het repertoire was heel erg beat en heel erg van de tijd, met nummers als Paint it Black en Play with Fire van de Rolling Stones, Don’t Bring me Down van The Pretty Things, All Day and All of the Night van The Kinks, Touch van de Outsiders, Hey Joe van The Jimi Hendrix Experience en Dancing in the Street van Martha & The Vandellas.
Ze speelden ook eigen werk. 
Ernst Kraft van Ermel schreef The Sound of You and Me en The World was Mad Today
Jan van der Wolf schiep Guitar Piece.
Hij had de naam dat hij kon spelen als Eelco Gelling van Cuby & The Blizzards.
De band trad op bij Toni Boltini, maar ook op een paar roemruchte, legendarische Veenendaalse festivals.

Ver buiten Veenendaal ontwikkelde Amsterdam zich tot de Europese Hippie/hoofdstad van de Wereld, met poptempels als Paradiso en Fantasio. 

Dichter bij huis werden in de Utrechtse Jaarbeurs The Flights to Lowlands Paradise georganiseerd.
De eerste was op 28 december 1967, met Gloria, de Jan Hekert Experience, Op/Sounds, Porvocation en The Tykes, u weet wel. Het duurde achttien uur.
De entree was een tientje, met ontbijt. 
De tweede, een jaar later had een veel indrukwekkender affiche: Pink Floyd, The Zipps, Cuby & the Blizzards, The Bonzo Dog Doo-Dah Band en Tyrannosaurus Rex. 

De grote afwezige was de wel aangekondigde Jimi Hendrix. 
Daar hebben ze het nóg over, in Utrecht, dat Jimi er niet was.
Er kwamen 18.000 mensen.

In Veenendaal bleven ze niet achter. In het jargon van nu ging de jeugd bezig met cultureel ondernemen. 
Het bestuur van Circuit ´67 was de Utrechtse organisatie zelfs voor met het grote Garage Beatfestijn in de werkplaats van Hoogendoorn aan de Nieuweweg. 
Ik citeer De Vallei van 17 april 1967: ´Ongeveer 600 tieners, al dan niet geminirokt, bezochten het beatevenement en hun hippe verschijningen zorgden al spoedig voor een gepaste sfeer in de immense ruimte. 
De Utechtse band Wo?W exalteerde ´t jonge publiek vrijwel onmiddellijk en de meest vreemdsoortige dansen –identiek met de laatste beatmode- werden vol vuur en verve gedemonstreerd.´

Ster van de avond was de Brabantste zanger Armand, legendarisch geworden met zijn Ben ik te Min. Het beviel hem maar matig dat het biervolk achterin telkens luidkeels ´Já!´ riep als hij zijn beroemde vraag zong.
Er kwam nog een Festival, het moest het grootste worden tot dan toe. 
Het beatfestijn werd georganiseerd in de Eierhal, met als hoofdattractie The Small Faces, de Engelse band met Steve Marriott, Ronnie Lane, Kenny Jones en Jimmy Winston. 
Het festival vond plaats op 21 oktober 1967, na de historische Summer of Love, waarin The Small Faces hun psychedelische Itchycoo Park uitbrachten. 
Het brein achter de organisatie was de dan 23-jarige droger op de Hollandia Wolfabriek:
Fred Bruitsman. 
AVRO Beat girls
Hij moest 5000 gulden betalen voor een optreden van 35 minuten.
Er moest ook betaald worden voor onder andere Dirty Underwear, Les Baroques, Exception en de AVRO/beatgirls.
Bruitsman had geen sponsors, er waren geen commerciële activiteiten.
Hij moest vooraf toegeven dat het een gok was. Er moesten 1500 mensen komen om quitte te spelen. 

Bruitsman hoopte ook op volk van buiten Veenendaal. Hoofdinspecteur Dekker –daar is hij weer- was heel sceptisch. 
Hij verwachtte hooguit 500 mensen. Bruitsman droomde al over een festival met The Kinks en Manfred Mann en zei langs zijn neus weg ook al contact te hebben met Jimi Hendrix, maar die was ziek en kon niet komen.
Het Beatfeest Eierhal werd een ramp. De hoofdinspecteur kreeg gelijk.
Er kwamen te weinig fans. 
Spencer Davis was woest na het optreden, omdat Bruitsman hem te weinig betaalde.
Zo was het ook met de andere groepen. 
De mensen die er wel waren hebben wel goede optredens gezien, kregen waar voor hun geld.

´De Spencer Davis Group bewees wel, dat ze hun roem niet alleen aan hun naam te danken hebben,´ zo stond in de recensie. 
Hoofdinspecteur Dekker was tevreden over het uitblijven van relletjes. Uit het krantenverslag: ´Het publiek bestond voornamelijk uit tieners'. 
Het grootste gedeelte kwam van buiten Veenendaal, zelfs uit Limburg en Noord-Holland.
In hun vaak bloemrijke kleren dansten, zaten of lagen de hippe vogels in de eierhal, of gingen in de Achterkerkstraat een luchtje scheppen.
Daar werden ze door een aantal nieuwsgierigen met gemengde gevoelens bekeken. 
Verwonderd, geïrriteerd en hoofdschuddend werd het hippe gevogelte gade geslagen als ´die jeugd van tegenwoordig´. 
Die jeugd vatte dit op als een eer en om nog meer op te vallen ging men zich nog vrijer gedragen. Het bleef gelukkig allemaal bij deze onschuldige geldingsdrang. 
Grote moeilijkheden deden zich niet voor. De hippies konden het best vinden met hoofdinspecteur Dekker, die tevreden achter in de eierhal zat om een oogje in het zeil te houden.´  
Meneer Dekker had de smaak te pakken. 
In 1968 werd hij lid van de Veenendaalse jeugdraad in oprichting en liet hij zich enthousiast uit over een nieuw festival in de Eierhal: Stick to Sticks, op 31 mei 1968. 
Het werd georganiseerd door Mik Thoomes, Hedda Buijs en de heer Van Pijpen, een zogenaamde man achter de schermen. 
Het festival moest de nieuwe jeugdraad een gezonde financiële basis opleveren. 
De entree was 4 gulden. ´Echt niet veel voor zo´n evenement,´ meende Mik Thoomes.
Hij rivaliseerde met Fred Bruitsman die zich eigenlijk de koning voelde.
Harry Dukker kwam met zijn fameuze lichtmachine die exotische vormen en vloeistofdia´s op de kale muren ging projecteren. 
Helemaal uit Veenendaal opende As2O3 het programma.
Op het affiche stonden verder Full House uit Utrecht, zanger Theo Snijders uit Amsterdam en The New Acoustic Swing Duo van de jazzy broers Peter en Han Bennink.
De 17-jarige Bert Jansen kwam de blues zingen en mondharmonica spelen. 
Dragonfly uit Vlissingen sloot de avond af.
Voor Jansen werd het een sof. Het publiek pruimde hem niet. Het optreden stopte na zeven minuten. Jansen schreef er later over in Aloha. Stick to Sticks is ook niet uit de kosten gekomen.

Dat was het wel zo´n beetje met de Veense variant van de Sixties.
Saai was het woord niet, weet je wel? 
Het was een stuk minder heftig dan in de hoofdstad, met Provo-happenings en straatrellen. 
Het was de Veenendaalse jeugd zelf die iets maakte van de nieuwe jeugdcultuur, compleet met een eigen blad, Perfume Garden en steeds het wakend oog van hoofdinspecteur Dekker.

Suzy Q was de naam van een nummer van Creedence Clearwater Revival. 
Gert Schoonderbeek vond het de beste naam voor een dancing in een oude fabriekshal van de VSW, aan de Nieuweweg. 
De Sixties waren voorbij. Samen met Hennie Bruitsman, Hans Slotboom, discjockey Jan Hoogerdijk, bestuurslid Frank van der Veen en portier Frans Peters bouwde Schoonderbeek aan één van de beroemdste disco´s uit heel de regio. 
In de jaren zeventig werd het ondernemen, popzaken doen.
Zo was het met Suzy Q. De alternatievelingen konden naar de Pomp.
Ik zei het al: je kon in die tijd in Veenendaal beter aan je trekken komen dan in Utrecht.
Het liep ook af. 
Suzie Q en de Pomp bestaan al lang niet meer.

Ik herinner me het festival Zomerpop nog, van 28 juni 1980. We waren terug in het stadspark. 
Gert Schoonderbeek was één van de organisatoren. 
Ze hadden een geweldige band staan, wat mij betreft de grootste die ooit in Veenendaal heeft gespeeld: The Cure, de band rond Robert Smith, bekend van hits als 17 Seconds en Killing an Arab
Het regende. Het was sfeerloos. De magie was verdwenen.
Stef Bos, van 12 juli 1961, houdt als zanger en muzikant de naam van Veenendaal hoog. 
Op 8 oktober presenteerde Theater de Lampegiet de British Pop Invasion, met de beste Engelse popmuziek uit de jaren zestig. 
Dat is leuk voor de nostalgie, net als een avond als deze. 
Als ik naar een band wil kan ik al lang in Utrecht blijven.
Ik vraag me af of de Veenendaalse jeugd van nu eigenlijk wel met een Dingetje bezig is. 

Tot zover mijn college. 

Leuk om te doen, en al die herinneringen op te halen. Vooral om meer te weten te komen over de Sixties die ik in Veenendaal niet heb meegemaakt, eenvoudig omdat ik nog te jong was.

Ik baseerde me voor een deel op Veens Lawaai, het geweldige blog van Gerard Davelaar. 

Ook voor jullie een plezier om na te lezen.

Jeroen Wielaert (Veenendaal, 1956) is een Nederlands verslaggever, columnist en auteur.
Hij is vanaf 1984 werkzaam bij Radio 1, achtereenvolgens voor Veronica, NOS, VPRO, NPS en RVU als verslaggever, presentator en columnist op het gebied van kunst, cultuur, natuur & milieu, politiek en sport.
Hij versloeg voor Veronica Nieuwsradio de Val van de Berlijnse Muur en de nasleep daarvan.
Vanaf 1992 reist hij in verkiezingstijd de VS door voor de Mood of the Nation.
Bij Veronica was hij presentator van Sportradio en Cultuurradio.
Bij de NPS presenteerde hij Radio Uit, de voorloper van Kunststof en afleveringen van Spotlight (Radio 6).
Eind september 2012 begon hij als co-presentator van NTR's Lijn 1.
In 1986 was hij voor het eerst in de Tour de France. In 2013 voltooide hij zijn negentiende hele Ronde.
Naast het radiowerk schrijft hij onregelmatig voor Vrij Nederland, de Volkskrant, literair wielertijdschrift De Muur en maandelijks WielerlandMagazine. 
(wiki)

1 opmerking:

Zipper zei

Mooi verhaal Jeroen.

Rein Kuyer